Sla navigatie over

Het geheim van de radiogolven

De natuur heeft vele geheimen en aan de mensheid is het de opdracht deze geheimen te ontrafelen. Nu zijn er geheimen die je zonder eerst een ander geheim op te lossen niet kan oplossen. Dit heeft ook wel een dubbelgeheim of zelfs een meervoudig geheim. Maar dat is nu niet zo belangrijk.

Ik wil het hebben over radiogolven. Hoe kan het dat iemand aan de andere kant van de wereld met je kan praten, zonder dat er een telefoonlijn loopt? Dat kan toch niet, dat bestaat niet, zullen vele lezertjes zeggen. Ja, ik kan roepen wat ik wil, maar ik krijg geen contact (“Ik gaf gas, maar ik kreeg geen power.” [Oberman, 1992]) als je het met je blote mond probeert.
Welnu, lang geleden, zo rond 1910 geloof ik, of later zo je wilt, had Nederland contact nodig met het toenmalig Nederlands-Indië (het tegenwoordige Indonesië, bekend van de tv). Hoe deed men dit. Het was in die tijd zo dat de oerwouden nog ondoordringbaar waren en de zeereizen zo lang waren dat het bericht haar waarde al lang had verloren als het aankwam, zo het al aankwam. De eerste vliegtuigen waren ook niet veel waard en zo werd het plan geboren om met de radio verbindingen te maken. Maar hoe moet dat dan? Hoe moet ik dat aanpakken?

Dat pakte men aan door een zender te bouwen, wat ook moeilijk was hoor. Zonder antenne echter heb je er niets aan. Dus moest men antennes bouwen. En zo kwam het dat er bij het plaatsje Kootwijk heel hoge masten werden gebouwd, wel 300 meter hoog! Dat is knap hoog. Daar moesten draden tussen worden gehangen. Je begrijpt, dat is wel wat anders dan de JOTA van nu, peanuts.
Die antennes moesten zo hoog zijn omdat ze op een bepaalde band werkten die het mogelijk maakte om zowel overdag als ’s nachts verbinding te hebben met Nederlands-Indië. En het ging allemaal in morse! Er moesten dus telegrafisten komen en mensen om het zaakje te onderhouden (Denk maar eens aan de koeling van de zenders en aan het eten dat die telegrafisten naar binnen werkten; het leken wel slootgravers, zoveel konden die kerels eten). Het bleek te mooi allemaal. De verbinding was vaak waardeloos en de antennes waren idioot hoog. In Nederlands-Indië hing men de antennedraden tussen twee bergen in en het schijnt dat op deze manier vele apen n het slingeren hebben geleerd.

Het ging dus bergafwaarts met de verbindingen. Toen kwamen de zendamateurs (toen nog illegale figuren!) op het idee om de korte golf te gebruiken. Als je hierop ging zenden bleek dat je veel kleinere antennes toen kon. Ook bleek dat je met een slimme keus van je uitzendband 24 uur per dag verbinding kon houden met de koloniën. Wel was het zo dat soms de verbinding wegviel, zonder dat je wist hoe en wanneer. Men kwam er achter dat boven onzer kinderhoofdjes een luchtlaag dreef die de radiogolven weerkaatste (denk maar aan een stuiterende pingpongbal). Die bleek nogal wat last te hebben van de zonnestraling, maar kon er ook weer niet zonder. Merkwaardig hè, het is net zo als met de mensen, teveel zon en je verbrandt, te weinig en je wordt ongezond. Al met al gingen de technische knobbels aan het werk en ontwikkelden allerlei apparatuur die ervoor zorgden dat je een goede verbinding kreeg en die kon voorspellen wanneer het minder zou gaan. Op de JOTA zien we zulke apparatuur terug in de vorm van ontvangers.

Hopelijk begrijp je nu waarom een verbinding niet altijd zo mooi klinkt. De natuur speel een grote rol in dit alles en je weet: de natuur laat zich niet 1-2-3 voorspellen.

[auteur: PFR, bron: Granaetpraat oktober 1995, nummer 3, jaargang 9]

email | disclaimer | laatst bijgewerkt: ongeveer 59 maanden geleden


Zoeken